Dutch Birding jaargang 38 nummer 1, 2016

Voorpagina

Kamtsjatkastormmeeuw  ·  Larus canus kamtschatschensis
Chris Gibbins

Artikelen / papers

1 - 64 Identification of the Larus canus complex
Peter Adriaens & Chris Gibbins
Tot op heden is nog maar weinig gepubliceerd over de herkenning in het veld van de verschillende Stormmeeuwen Larus canus-taxa. Vooral het totale gebrek aan informatie over de ondersoort L c heinei (Russische Stormmeeuw) is daarbij opvallend. Toen Chris Gibbins in de winter van 2011 meeuwen ging kijken in Roemenië merkte hij echter tot zijn verbazing dat de lokale Stormmeeuwen er opvallend anders uitzagen dan wat hij in West-Europa gewoon was. Alles wees erop dat veel van deze exemplaren, die tot heinei moesten behoren, herkenbaar waren in het veld. Omdat we ook nog ideeën hadden over de andere taxa besloten we om alles grondig uit te werken en een artikel over het Stormmeeuwen-complex te schrijven. Uiteindelijk maakten we in totaal 12 reizen voor het observeren en fotograferen van de vier taxa (nominaat canus (Stormmeeuw), heinei, kamtschatschensis (Kamtsjatka-stormmeeuw) en brachyrhynchus (Amerikaanse Stormmeeuw)), waaronder een bezoek aan het Zoölogisch Museum van Moskou, Rusland, waar we een groot aantal balgen van heinei en kamtschatschensis uit de broedgebieden konden bestuderen. De verschillende landen die we bezochten en de regio's waaruit de balgen en aanvullende foto's afkomstig zijn worden weergegeven in tabel 1 en figuur 1.

Voor adulte en tweedejaars Stormmeeuwen werd een scoresysteem ontwikkeld voor 22 verschillende kenmerken. De steekproefgrootte daarvoor per regio staat in tabel 2; de resultaten zijn te vinden in diagram 1-15. Het handpenpatroon vormt een belangrijk hulpmiddel om de vier taxa uit elkaar te houden maar omdat het vaak een nogal ingewikkelde puzzel is, besloten we om het te presenteren als een determinatiesleutel (tabel 3-4). Bij eerstejaars vogels zijn we meer beschrijvend te werk gegaan, hoewel we ook daar enkele kenmerken - met name het aantal juveniele schouderveren, staartpatroon, patroon van de buitenste staartpen en patroon van de bovenstaartdekveren - hebben opgedeeld in categorieën ('scores'); de resultaten worden weergegeven in figuur 3 en figuur 5-7. Om de vier taxa in het veld van elkaar te onderscheiden moet een combinatie van kenmerken gebruikt worden. Bij adulte vogels zijn dit: 1 koppatroon (in winterkleed); 2 iriskleur; 3 snavelkeur en -patroon ('s winters); en 4 handpenpatroon (met name de hoeveelheid zwart op de buitenvlag van p8-9, lengte van de tong op diezelfde handpennen, grootte van de witte spiegel op p9 en eventueel p8, hoeveelheid zwart op p4-6 en grootte van de witte tongtip op p7-9).

Bij tweedejaars vogels zijn in principe dezelfde kenmerken bruikbaar maar het handpenpatroon is nog niet zo ontwikkeld als bij adulte en vertoont een grote mate van overlap tussen de taxa. Er zijn echter nog verschillende bijkomende kenmerken: het patroon van de handpendekveren, armpennen, staart en vleugeldekveren, en de eventuele hoeveelheid bruin op lichaam, staartdekveren of ondervleugel.

Bij eerstejaars vogels zijn de volgende elementen van belang: 1 koppatroon ('s winters); 2 staartpatroon (vooral patroon van buitenste staartpen); 3 patroon van boven- en onderstaartdekveren; 4 kleur en patroon van bovenvleugeldekveren; 5 patroon van ondervleugel (vooral oksel en kleine dekveren); 6 hoeveelheid bruin op lichaam (inclusief anaalstreek); 7 patroon van nieuwe schouderveren; en 8 patroon van de binnenste handpen.

Verder kunnen bij alle leeftijden ook grootte, bouw en mantelkleur helpen bij de determinatie. Het zal echter lang niet altijd mogelijk zijn om van iedere Stormmeeuw in het veld de ondersoort te bepalen. Meeuwen zouden meeuwen niet zijn als er geen grote mate van overlap in kenmerken was en geen overgangszones met gemengd broeden en intergradatie. Toch stelden we tot onze verbazing vast dat bijvoorbeeld bijna de helft van alle adulte heinei in onze steekproef herkenbaar was.

In het artikel gaan we ook in op de geografische spreiding van heinei en kamtschatschensis en overgangszones tussen beide taxa. Verder hebben we ook de geluiden van elk taxon bestudeerd. Een belangrijke conclusie is dat op basis van reeds gepubliceerd genetisch onderzoek, het grote aantal in het veld herkenbare exemplaren (van alle leeftijden), de verschillen in de baltsroep, en het geografisch geïsoleerde verspreidingsgebied brachyrhynchus soortstatus verdient.

Peter Adriaens, Volmolenstraat 9, 9000 Gent, Belgium
(p_adriaens@yahoo.com)
Chris Gibbins, 2 The Steadings, Newtyle Farm, Drums, Aberdeen, Aberdeenshire AB41 6AS, Scotland
(c.gibbins@abdn.ac.uk)

Feedback?